Veel honden laten al heel vroeg zien dat de spanning begint op te lopen wanneer ze een andere hond zien. Alleen zijn die eerste signalen vaak subtiel.
Wij mensen merken het meestal pas op wanneer het gedrag duidelijk wordt: de hond gaat zitten, liggen, trekt naar voren, blaft of uitvalt.
Maar op dat moment zit de spanning vaak al behoorlijk hoog.
De opbouw van spanning begint meestal veel eerder.
Een hond ziet in de verte een andere hond en verandert bijna ongemerkt van gedrag. Het lichaam wordt iets stiller. De beweging vertraagt. De hond kijkt langer naar de andere hond dan normaal. Soms sluit hij zijn bek ineens, terwijl hij daarvoor ontspannen liep. De pas wordt korter, het hoofd gaat omhoog of juist iets naar voren. Dit zijn kleine signalen, maar ze vertellen veel.
Het vertragen zelf is dus vaak een soort spanningsmeter die laat zien dat de hond emotioneel bezig is met de andere hond.
Wat er eigenlijk gebeurt, is dat de hond mentaal “aan” gaat. Zijn aandacht verschuift volledig naar de andere hond. Hij begint informatie te verzamelen:
-
Is deze hond veilig?
-
Komt hij dichterbij?
-
Moet ik afstand houden?
-
Moet ik controleren wat er gebeurt?
Vanaf dat moment loopt de spanning langzaam op. Dat hoeft niet eens angst of agressie te zijn; ook opwinding, onzekerheid of frustratie kunnen spanning veroorzaken.
Omdat die eerste signalen zo subtiel zijn, missen wij ze vaak. Mensen kijken meestal pas naar hun hond wanneer het gedrag groot wordt:
-
de hond stopt met lopen,
-
gaat zitten of liggen,
-
fixeert volledig,
-
trekt aan de lijn,
-
begint te piepen,
-
blaft of valt uit.
Maar dat zichtbare gedrag is eigenlijk het eindpunt van een hele reeks eerdere signalen.
Vergelijk het met een pan water die langzaam verwarmd wordt.
Het uitvallen is niet het moment waarop de spanning begint, het is het moment waarop het overkookt.
Juist daarom is het belangrijk om de vroege signalen te leren herkennen:
-
vertragen,
-
verstijven,
-
staren,
-
minder reageren op de eigenaar,
-
gesloten bek,
-
gewicht naar voren,
-
gespannen lijn,
-
trage, gecontroleerde bewegingen.
En precies op dat moment kun je je hond helpen.
Niet door te corrigeren of ervoor te zorgen dat hij niet meer een andere hond bezig is, maar juist door de spanning vroeg te begeleiden voordat die te hoog oploopt.
Wat vaak helpt:
-
zelf even stil gaan staan,
-
de lijn ontspannen houden,
-
wat meer afstand nemen,
-
rustig ademhalen en kalm blijven,
-
brokjes/snoepjes op de grond strooien.
Dat strooien van voer lijkt simpel, maar doet eigenlijk veel. Het gaat er niet om de hond af te leiden alsof de andere hond er niet mag zijn. De hond mag juist kijken.
Het zoeken en snuffelen naar voer helpt om spanning te laten zakken. Belangrijk is wel, dat je zelf op dit moment niet teveel gaat praten tegen de hond, dit geeft alleen maar extra ruis...
Snuffelen en zoeken werken kalmerend op veel honden. De focus verschuift van fixeren naar onderzoeken.
Het lichaam komt meer in beweging, de ademhaling verandert en de hond raakt minder “vast” in het kijken naar de andere hond.
Daardoor ontstaat er weer ruimte om te ontspannen en om normale informatie te verwerken, zonder dat de spanning steeds verder oploopt.
Veel honden hebben dus niet nodig dat we alles voor ze oplossen of andere honden vermijden.
Ze hebben vooral hulp nodig bij het reguleren van hun spanning voordat die te hoog wordt.
En dat begint bij ons leren kijken naar de kleine signalen die honden al veel eerder laten zien.
Hebben jullie een hond thuis? Wil je graag meer leren over het gedrag en lichaamstaal?
Neem dan eens contact op, ik kom bij jullie thuis, daar gaan we samen aan de slag. In eigen omgeving, daar waar het zo belangrijk is!
Saskia
Reageer